Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Waar ben je aan toe

Waar ben je aan toe?

‘Loop maar links om ’t huis,’ zei Lies door de intercom. Er lag een pad van grind voor me, een oprijlaan met allemaal kippen, hokken en bijgebouwen, in de verte het hoofdhuis onder een rieten kap. Ik zou bij Lies spelen op een fair (zoals ze het had genoemd), was niet doorgegaan, te weinig budget, te ‘fair’ misschien. De Gooische heeft ook een internetwinkel, een shop aan huis, ik ging er nu mijn gereserveerde pak passen.

We hadden elkaar trouwens één keer eerder gezien, jaren geleden bij een optreden.

Daar stond ze bij de achterdeur: blond, struis, blauwe ogen.

‘Pat, waar ben je aan toe?’ opende ze spontaan.

Waar ben je aan toe? flitste het door me heen. ‘t Had geregend en ik had even op de bus moeten wachten. Waar ben je aan toe? Alsof ik net een marathon had gelopen? Waar ben ik aan toe? De keukentafel, de schuur, de kippen, de hooizolder?

‘Wat wil je drinken?’ bedoel ik , zei ze.

‘Oh… eh, iets fris graag.’

We stonden in een glazen erker waar haar shop was, ze liep een deur door, een donkere huiskamer, de deur bleef op een kier, ik zag een houten vloer, goud ingelijste foto’s voor me op een dressoir. Ik hoorde keukenkastjes open en dichtslaan.

‘Nou, ‘t is maar goed dat je niet met de auto gekomen bent hoor, de A10 staat bomvol, geen doorkomen aan!’ Lies vanuit de keuken.

Ik keek naar buiten naar immense tuin, een lap grond zo groot als een voetbalveld omringd door metershoge loofbomen.

Daar zat ze hoog en droog onder een rietenkap diep in ‘t bos, maar Lies wist: A10,  geen doorkomen aan.

’t Had iets ongemakkelijks, haar gastvrijheid, dat amicale, ik weet ‘t niet, ik herkende ‘t vocabulaire uit mijn studententijd, de ons-kent-ons code, het samenzweerderige: deze Lies wist hoe ‘t wegennet in elkaar zat, een vrouw van de wereld, een die overal over mee kon praten, vertel haar wat over de spitsuren in Nederland. Nee, wij begrijpen elkaar: op dinsdagmiddag om vijf uur wil je niet op de A10 staan! Wij niet, Lies en ik.

Intussen paste ik ‘t pak. ‘Helemaal goed,’ zei ze, ‘die smalle pijp, perfect, je hebt er perfecte benen voor.’

Ga door, dacht ik, ben ik aan toe.

‘Op de PC betaal je voor dit soort stof al gauw duizend euro voor he. Zulk mooi spul.’

Hoeveel pakken zouden er onder dat rieten dak gaan? Ik keek in een spiegel, zat ’t niet te strak?

‘En we komen snel een keer naar je optreden, he.’ Lies.

‘Kom anders aanstaande vrijdag,’ zei ik, ‘we spelen weer in de SkyLounge, ik ontvang Lois Lane.’

‘O, leuk, ken je trouwens Michiel Borstlap, die kan spelen jonge!’

Binnen vijf minuten stond ik buiten. Pak onder m’n arm. Vierhonderd euro lichter, wegzakkend in ‘t grind. Maar de deur achter me die (per ongeluk) met een klap dicht was gezwaaid, zwaaide weer open.

‘O, Pat, weet je wat je wat je doet?’

Wist ik wat ik deed? Iets waar ik aan toe was misschien?

‘Je loopt hier uit, dan de derde links, langs ‘t pannenkoekenhuis, daarna ga je rechtdoor, neem je aan ‘t eind de bus, neem je niet in Hilversum de trein, in Den Dolder. Ze knipoogde. ‘Appeltje-eitje.’facebook blog foto