Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Mothafuckers (Mannenpraat 4)

‘Mothafuckers’ (Mannenpraat 4)

 

Eindelijk spraken we elkaar weer, mijn broer en ik. Door grote mensen dingen,  een nieuwe levensfase hadden we elkaar bijna een jaar niet gezien. Hij had een baard gekregen, mijn broer. Misschien krijg je er ook een sik van: scheiden, een nieuwe vriendin, twee 'stiefdochters', een bedrijf reorganiseren, verhuizen. Ik ben er zelf in ieder geval als de dood voor, ben er maar niet over begonnen deze avond. Hoewel ik misschien in een eerder stadium een beter klankbord had kunnen zijn, had ik aan de andere kant gehoopt dat mijn broer juist na zijn scheiding wat meer gelegenheid had genomen eens te eten en een ouderwets avondje door te zakken.  

Het was trouwens een gewone woensdagavond (ik drink liever in het weekend, de kinderen die ik overdag  les geef kunnen een ‘kegel’ niet snel thuisbrengen, maar ’t weekend blijft lastig voor mijn broer). We hadden al wat gehad in café De Blaffende Vis.  Dat  ging dicht. Nu zaten we in nachtcafé P96 aan de Prinsengracht, we zaten aan het eind van de bar. Het was druk, ik werd aangestoten net toen ik een slok nam. Twee studentes waren achter me gekropen en wilden ook bestellen.

‘Jullie zagen mij over ’t hoofd?’ vroeg  ik gespeeld onverschillig terwijl ik m’n broek afveegde.

De studentes haalden hun neus op.

Mijn broer: ‘Ik zou ook geen sorry zeggen als ik jullie was.’

Grote ogen van onbegrip. ‘Duhhh…’

Verder was de bar lucht voor ons. Het ging over werk.

Mijn broer zei: ‘Zuidassers en reclame lui hebben even grote ego’s. Eén verschil:  Zuidassers dragen een pak, reclamelui een baard.’

‘En jij een pak én een baard?’

‘Precies.’

Daarna ging het over  ’meta taal’, kun je afstand nemen van wat je zegt; kun je vertellen, toch luisteren. Over het steeds groter wordende verschil tussen arm en rijk, het zou onbegrip in een samenleving groter maken, meer geweld en minder economische groei tot gevolg hebben.  We brachten de wereld in kaart, tegelijk steeg er damp op uit de bar, we dronken en rookten, er hing een gordijn tussen ons en de anderen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om te zeggen dat de nieuwe vriendin van mijn broer wel eens een toontje lager mocht zingen.  Zo, - terecht of niet (misschien lag 't eerder aan mijn broer dat ik 'm nauwelijks zag) - dat was er uit. Mijn broer zei dat ik hem niet steeds moest interrumperen. We konden er weer om lachen.  Er moet gebulder onder ons gordijn vandaan geklonken hebben, zelfspot, klappen op de bar (een nare oude gewoonte) bekrachtigden onze eendracht.  Onbewust concludeerde ik:  zonde dat we dit niet vaker doen, eigenlijk komt er niemand tussen ons op zo’n avond.

Tot ik een arm om me heen voelde.  Het was een van de studentes die mij had aangestoten. ’Mannen,’ zei ze - ze had ook een arm om mij broer heengeslagen  - ‘wat willen jullie drinken?’

We waren beiden even  volledig uit het veld geslagen. Er viel een stilte. Lang geleden dat een studente uit het niets aan ons vroeg of we wat wilden drinken.

Althans voor mij was het lang geleden.

Ik zag aan het gezicht van mijn broer dat ook hij twijfelde. Het was immers ‘onze’ avond.

Ik nam de studente eens goed op: ze had een rond gezicht, blond haar, grote ogen, donkere wenkbrauwen - ze was slank, ze stond iets voorover.

‘Mag ik vragen,’ klapte ik er ineens uit:  ‘Vind je één van ons aantrekkelijk - zoek je een baan - of ben je eenzaam?’ (’t Was inmiddels laat, de bar zou weldra sluiten, ik wilde weten waar we aan toe waren gezien de spaarzame tijd die ik met mijn broer had - die overigens headhunter is). 

De reikwijdte van mijn meerkeuze vraag bleek de studente echter  te hoog gegrepen.  Ze kreeg nog grotere ogen en stamelde iets als: ‘M’n vriendin is naar huis.’

‘Eenzaam dus,’ concludeerde mijn broer.

‘Sluit de andere twee opties niet uit,’ zei ik.

De studente stond erbij en lachte. We besloten het drankje te accepteren op voorwaarde dat we ons gesprek voort konden zetten en dat zij mee mocht praten maar dat wij de onderwerpen bepaalden.

Er zat geen Spaans woord tussen maar de studente bleef volledig stil, ze leek ons gesprek nauwelijks te kunnen volgen. (En dat lag voor mijn gevoel niet alleen aan de drank).

Intussen informeerden we tegen de voorwaarden in naar haar studie. Marketing deed ze, ze was bijna klaar.

‘Dus toch optie twee ,’ zei mijn broer.

‘Vlak optie één niet uit,’ provoceerde ik nogmaals.

De studente leek er nog steeds niets van te begrijpen, misschien liet ze haar intuïtie werken.

Goed, de bar ging dicht, ik trok mijn jas aan en mijn broer rekende af. We liepen naar buiten.

Voor het café stonden twee mannen, een van hen was nazi-kaal, droeg een groen bomberjack, de andere met leren jack en rasta’s zat op een soort opgevoerde scooter met een glas in zijn hand en een peuk in z’n mond. Ze zagen er uit als zware jongens, tegelijk leek het een absurd Koot en van Bie - achtig tafereel. Ik liep net achter mijn broer naar buiten toen ik hem joviaal hoorde zeggen: ‘Zo, mothafuckers.’ Er stond een grote grijns op zijn gezicht. Ondanks ons gesprek over sociale ongelijkheid dat geweld in de hand zou werken, was er met zijn baard blijkbaar een zeker gevoel van onoverwinnelijkheid in de avond gegroeid.

‘Wat?!’ zei de jongen op de opgevoerde scooter.

‘Wat, wat?’ zei mijn broer.

‘Wat zei jij daar?’

‘Ik zei:  zo, mothafuckers.’ *Mijn broer, hij kon niet meer terug.

‘Kun  je dat nog een keer herhalen?’ vroeg de kale in het bomberjack. Hij deed een stap naar voren.

‘Ja hoor,‘ zei mijn broer:  ‘Mothafuckers.’

Ik stond schuin achter mijn broer. Hij had nog steeds een onverbeterlijke grijns op z’n gezicht. Het bomberjack balde z’n vuisten. Ik deed ook een stap naar voren, ging pal naast mijn broer staan, zei niks, ontspande (hier waren wij te oud voor), tegelijk bracht ik wat voorspanning op mijn bovenbenen, pompte adrenaline door mijn bloed, neutraliseerde de hoeveelheid alcohol en wist dat ik ondanks de jaren kon vertrouwen op mijn reactiesnelheid.

‘Eén beweging van een van die gasten en vol der op,’ fluisterde ik in mijn broer ’s oor, ’goed kijken, naast elkaar blijven staan,’ zei ik.

M’n broer knikte kort.

Op dat moment voelde ik een hand op mijn schouder. De studente. Ze pakte ons allebei (mijn broer en ik) bij de schouder.’ Meekomen jullie!’ zei ze. Ik peinsde er niet over. Maar ze trok nu aan onze armen en riep nog een keer: 'Meekomen!' Ze draaide ons om, en voor ik het door had lieten we ons met (gespeelde) tegenzin de gracht af voeren. Terwijl we rustig wegliepen hoorde ik achter ons de motor van de scooter starten. De rasta kwam dreigend langszij, hield in, gaf een dot gas en stopte een paar meter voor ons. Mij broer zei:  ‘We kunnen hem ‘t best nu in één keer met scooter en al de gracht in donderen.’ Precies wat ik dacht. En daar was de studente weer. Ze haakte nog steviger in en liet ons links afslaan. We bleven even staan, liepen toen rustig door, zeiden niets, na een tijdje keek ik achterom. Niks, niemand, Koot en van Bie hadden hun achtervolging gestaakt.  Ik ontspande, tegelijk baalde ik.  Wat was het een mooie apotheose van de avond geweest:  een paar doffe klappen kaatsend tegen de donkere gevels, zij aan zij vechtend, daarna wonden likkend.  ‘He , jammer ergens,’ zei  ik.

 

Het werd nu volledig stil in Amsterdam, we liepen in de Anjelierstraat, passeerden  nummer 17, het liedje van Wim Sonneveld, boven ons scheen de maan van Anton Pieck, en de marketing studente vroeg: ‘ Oké jongens, waar gaan we nu naar toe?’

*Uit een latere email van mijn broer begreep ik dat ‘ZIJ’ begonnen waren; zij, Koot en Bie, hadden als eerst tegen hem gezegd: ‘Zo, mothafucker!facebook blog foto