Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Meisje bij de counter

Elke dag koop ik een pakje sigaretten bij de Albert Heijn. Elke dag helpt hetzelfde gesluierde meisje bij de counter me.

‘Wolrna-ses-eulro,’ slist ze binnensmonds.

‘Dat wordt dan zes euro,’ bedoelt ze, of: ‘Dan wordt het zes euro.’ Ik weet het niet zeker. Ik durf het haar niet te vragen. Het zou misschien racistisch overkomen, of ik vraag naar de bekende weg. Bovendien ben ik al helemaal niet blij dat ik dat pakje peuken koop. Eén keer heb ik ‘t erop gewaagd: ‘Wat zeg je?’ vroeg ik.

‘Worlnaseseulro,’ herhaalde ze stoïcijns.

Ik vind het zielig voor haar, ik weet niet wat ik moet doen, niemand in haar buurt die haar kan verbeteren? Niemand in de supermarkt die er wat van durft te zeggen, die haar helpt?

Ik ben vroeger vaak verbeterd door ouderen. Zoals een deftige ‘schoonmoeder’ die bijvoorbeeld zei: ‘Het is geen áuto maar óoto, het is een Frans woord, Patrick!' Waarop ik haar de les las en zei: ‘En ik woon in Nederland, niet in Frankrijk! Auto in het Frans is trouwens ‘voiture’!’ voegde ik er fijntjes aan toe.

Dus zeg ik maar niks tegen het besluierde meisje van de counter. Ik ben ook niet haar schoonmoeder. Bovendien weet je nooit wie je tegenover je hebt.

Haar taal deed me trouwens denken aan de eerste Nederlandse zin die ooit gevonden is: Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu? (Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; wat wachten we nu). Maar daar waag ik me ook maar niet aan.

Gelukkig weet ik dat het pakje sigaretten zes euro kost en heb ik het geld meestal gepast. ‘F’n’-dag,’ mompelt het gesluierde meisje van de counter dan.facebook blog foto