Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Mannenpraat

Onze reis is volkomen denkbeeldig’ (Celine)

‘Ik reis veel voor mijn werk,’ zegt de middelbare schoolvriend die in Parijs woont,’ ik zag dat Verheij hier optreedt, daarom heb ik dit hotel geboekt.’

‘Mag ik vragen,’ zegt mijn jaargenoot, een grijze veertiger uit Blaricum, ‘hoe doe je dat dan, heb je een relatie?’ Hij strijkt zijn grijze haar - ’t is weer witter geworden - naar achter en leunt voorover.

‘Nou,’ zegt de middelbare school vriend uit Parijs, die gewoon achterover blijft leunen. ‘ik heb vijf, zes vrouwen tegelijk in verschillende wereldsteden. Morgen vlieg ik naar Lissabon.’

‘Neuh!’ roept de witte jaargenoot uit Blaricum, hij veert overeind: ‘Dat lul je!’ Hij maakt een wegwerpgebaar, (gespeelde) jaloezie, neemt een hijs van zijn wodka.

‘Een vaste relatie zou voor mij natuurlijk door al dat reizen niet te doen zijn.’ vervolgt de Parijzenaar stoïcijns. Hij spreekt met een overtuiging die in zijn kringen misschien normaal is, met een zekere (code van) vanzelfsprekendheid. ‘Ach, ‘t houdt de spanning erin he,’ zegt hij, ’ik doe het soms negen keer achter elkaar.’

‘Neeeuhhh!’ proest de witte uit Blaricum nogmaals uit, hij slaat op zijn knie, verslikt zich in zijn wodka. ‘Ne-guh keer!’

‘Nou ja, in achtenveertig uur dan,’ voegt de Parijzenaar er koeltjes aan toe.

Even lijkt de witte uit Blaricum uit het veld geslagen, kijkt in een wazige verte, misschien rekent hij: achtenveertig gedeeld door negen is… Dan lijkt hij het fantastische moyenne van de Parijzenaar definitief op zichzelf te betrekken: ‘Zelf woon ik al tien jaar met de zelfde vrouw in Blaricum. Niet dat we het nooit meer doen,’ ontkent hij spontaan, ‘of dat we een slecht huwelijk hebben... Het is alleen dat…’ Hij zucht, laat zich achterover zakken, wuift naar de ober.

De veertigers, hun benen kruislings geslagen, leunen nu beiden achterover in hun leren fauteuils en zwijgen. Het is vrijdagavond, en de avond is jong, maar misschien is voor hen het einde ervan al in zicht. Als ze niet teveel drinken kunnen ze links het podium zien, waar de band straks zal spelen. Rechts, in de diepte, een mozaïek van lichten, spiegelingen in grote ramen en op het water van het IJ. We zitten in de Sky Lounge, de elfde verdieping van het Hilton Double Tree. Ik moet zo zingen, daarom ben ook ik stil. Ik had me al die tijd afzijdig gehouden, m’n stoel wat gedraaid, omdat ik me probeerde te ontspannen (wat niet bepaald lukte omdat ik - geamuseerd én gegeneerd - het gesprek van mijn vrienden zat te volgen). Ik zit nu te bladeren in mijn muziek map. Als ik naar buiten kijk, naar de ontelbare lichten, moet ik - mede door het gesprek van mijn vrienden - denken aan de bekende Franse schrijver Celine. Aan zijn boek Reis Naar Het Einde Van De Nacht: ‘Die reis is volkomen denkbeeldig,‘ schrijft hij. (Hij bedoelt daar mee dat de ‘verbeelding’ het hoogst haalbare is voor de mens). Ik kom daarom misschien op het psychedelische nummer Riders On The Storm van The Doors.

Het wordt even later op het podium een versie van wel acht minuten. Ik kijk in flashlights, gasten nemen shots van de solo van onze pianist die op zijn piano staat, de hypnotiserende ‘delay’s’ van de gitarist, ik zie parels op het hoofd van de drummer. Daarna spelen we Lou Reed’s Walk On The Wild Side: ‘Holly plucked her eyebrow and shaved her legs and then he was a she, and said… hey babe, take a walk on the wild side.’ (Over verbeelding gesproken). Twee trendy geklede vrouwen in koningsblauw staan op, zingen woordelijk mee, dansen. Meer mensen dansen. Er gebeurt iets. Iets wat je nooit van te voren weet. Een zaal blijft altijd onvoorspelbaar. Niet slecht voor een uit de hand gelopen hobbyist, denk ik terwijl ik zing. Als ons koortje inzet - ‘ta-tada- tada-tatadada -tada-tada’ - sluit ik m’n ogen en ben weg.

Later op ’t terras met een sigaret hoor ik iemand met gevoel voor understatement zeggen dat de twee koningsblauwe vrouwen twee keer ‘geboren’ zijn. Take A Walk On The Wild Side - notabene, wie ben ik om dat lied te zingen, denk ik. Het is niet eens van me zelf. Als ik weer terug loop naar mijn vrienden, denk ik : ach, wat maakt het uit (alles voor de verbeelding). De witte vriend uit Blaricum zegt: ‘De blues, Verheij, de blues!’ Hij geeft een klap op mijn schouder.

De Parijzenaar: ‘Lekker gezongen, jongen, moet je vaker doen!’

Dan lopen nog twee vrienden binnen, ze zijn onlangs gescheiden en hebben hun nieuwe vriendinnen voor het eerst meegenomen. De een is lang maar kijkt scheel, de ander lijkt leuk maar praat veel, is m’n eerste indruk (maar dat komt misschien omdat ik vorige maand nog met hun voorgangsters aan tafel zat - aan welke ik net - na jaren - gewend was geraakt). Er worden handen geschud, op wangen gezoend. Het is van ‘leuk jullie te ontmoeten,’ en van een ironisch ‘ein-de-lijk dan.’ Eén stel kust elkaar nat in een flits van het podiumlicht dat nog aan staat.

‘Kalverliefde!’ roept de witte uit Blaricum.

‘Ze-willen-te-graag!’ bralt de Parijzenaar.

Een andere vriend komt erbij zitten en raakt in gesprek met één van de vrienden die zijn nieuwe vriendin bij zich heeft. ‘ Zij is twee jaar ouder dan ik,’ zegt de laatste (45).

‘Tja,’ zegt de vriend die erbij is komen zitten: ‘Vroeger wilden we een mooie vrouw, nu willen we er eentje om mee te praten.’

‘Leuk gezongen,’ probeert de lange (en inderdaad schele) vriendin daarom misschien (onverschillig) tegen mij.

‘Ja, goeie tekst is dat, Walk On The Wild Side,’ valt haar nieuwe vriend bij.

‘Ja, en dat ‘ta- ta- dadah!’’ zegt de vriendin.

‘Ja,’ zeg ik, ‘goeie tekst, dat ‘ta-ta dadah...’’

Als het hele stel ineens opstaat om weg te gaan biedt de andere nieuwe vriendin me een spijkerbroek aan - voor haar nieuwe vriend in New York gekocht. ‘Hij was D te groot, misschien is het iets voor jou,’ zegt ze. ‘Het is een echte Levi’s’.’

‘Lieverd, ik hoef je spijkerbroek niet.’ zeg ik. ‘Ik heb er genoeg,’ (lieg ik). Bovendien, pas als jullie relatie langer dan een half jaar duurt zou ik ‘m durven aannemen.’ Ik glimlach. Maar ze lijkt geschrokken. ‘Was leuk je te ontmoeten,’ voeg ik er daarom aan toe.

‘Kom snel ’s bij ons eten,’ zegt ze.

Als ze allemaal weg zijn haal ik onbewust diep adem en hoop vurig dat de band nog wat wil drinken. Ik loop rechtstreeks naar de lange bar waar ik een tijdje op mijn bestelling moet wachten. ’t Is toch wel bijzonder dat al mijn vrienden bij elkaar zat na al die jaren, denk ik, maar ook… ik weet ’t niet... ‘Je kunt maar beter dronken zijn van wijn of muziek,’ besluit ik als ik bestel (en ik vergeet weer van wie het is, en het voordeel van ouder worden is dat het me geen reet interesseert - Baudelaire, Hemmingway, Nietsche? - ’t is mij om ‘t even).

Daarna loop ik richting de statafel die voor de band gereserveerd is. Onderweg zie ik bekende en minder bekende gezichten: ‘Hé, je ziet er goed uit!’ en ‘leuk dat je er bent!’ roep ik in ‘t voorbijgaan. Korte omhelzingen. Ik moet naar de statafel. Nu is het mijn tijd. In mijn achterhoofd hoor ik de stem van onze gitarist: ‘Je bent een volksmenner.’

Ik hoop echter dat hij en de anderen er nog zijn, dat we nog even kunnen napraten. Met hen - met hén wel - kan ik bijvoorbeeld nog even praten over de prachtige film die ik van de week zag en waarvan ik in mijn hoofd steeds scenes afspeel: La Grande Belleza.

De hoofdpersoon in die film is Jep Gambardella, een dandy en misantroop, zoals hij zelf in de film zegt. Ik wil over hem praten omdat ik bang ben dat ik nu ik ouder word op ‘m ga lijken (nog niet als dandy, maar wel als misantroop). Aan de andere kant wil ik ook graag kwijt dat ik de laatste dagen van hem probeer te leren. Hij, Gambardella, zegt in de film - en ik parafraseer: ‘ Wij zijn allemaal maar eenvoudige stervelingen, de grote schoonheid (de grande belleza) bestaat niet, het leven is niet meer dan een truc, een spel, we zitten allemaal in het zelfde schuitje, je kunt maar beter de positieve kanten van de ander zien.’

Ik denk aan mijn vrienden (en nieuwe vriendinnen) en besef dat ik nog veel te leren heb.

De band blijkt weg te zijn. Aan de statafel vier jongens nu van begin dertig die ik van de tennisbaan ken. Er staan mooie vrouwen om hen heen, studentetypes eigenlijk: hun huid is bleek, hun gezichten rond, hun ogen groot. Ze lijken te staren, maar naar niets in het bijzonder. De tennismannen - een van hen draagt ondanks de winter een zonnebril in zijn haar - staan met hun borst vooruit, een grijns op hun gezicht, dun goud blinkt om hun ringvingers. Ze tikken op tafel met de boem-boem-beat van de DJ die de volume knop opendraait, en kijken ondanks de vrouwen schichtig rond. Wie van hen zal hier over tien jaar nog staan? vraag ik me af. Intussen drinkt het gezelschap champagne, veel champagne. Er wordt getoast. Mijn vrienden zijn dan allang thuis, maar ik drink mee, ‘denkbeeldig’ of niet, naar het einde van de nacht.