Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Kerstavond 2012

Kerstavond 2012

’t Was in een straat waar natte mansen wonen. Op tafel wild en ossenstaartsoep, iets met traditie van katholieken en protestanten had de vrouw des huizes mij uitgelegd. Ik vond het best en liet het me welgevallen. Er waren pakjes onder een boom geweest, er werd een kerstverhaal verteld, ik werd zelfs uitgenodigd een tekst van mijn plaat te (re)citeren, er was wijn, muziek van Micheal Buble, en een oudere man vertelde over jaren vijftig: je moest goed zijn in ‘haakje-oogje’, zei hij. Was je er goed in dan had je de ‘vis’ gevangen, verklaarde hij met een knipoog nader. Er werd gelachen, ‘haakje-oogje’ werd een terugkerende grap, de Verenigde Staten zouden hun positie als wereldmacht heroveren door de nieuwe winning van gas in rotsen en dat zou het einde van de groene revolutie betekenen en dus van de wereld, maar wij zaten hier hoog en droog in de straat van natte mansen - en er was wijn. Veel wijn. 
Toen ik overbleef met het echtpaar - ik was daar uitdrukkelijk toe uitgenodigd - kregen zij een woordenwisseling. Iets onbenulligs, iets over de wijn. De een moest wat minder en de ander vond dat het niet kon, iets met een pink, of zo. Gekissebis, zou men in deze kringen zeggen. Komt in de beste families voor. Door die wijn echter werd de stemming wat grimmiger en klonken stemmen luider. De vrouw des huizes stond op en nu viel me pas op dat ze met dubbele tong sprak. De heer des huizes bleef zitten en kreeg een tierade over zich heen waar ik niet veel van begreep. Het leek de man koud te laten, wat een elektriserende uitwerking had op de vrouw, die nu behalve in tongen sprak letterlijk buiten zinnen dreigde te raken; er viel een glas van tafel. En na het glas volgde een bord, en daarna het bestek, en voor ik het besefte vlogen er scherven door de kamer, met een armbeweging maaide de vrouw al het servies van tafel, het ging allemaal heel snel en ik zag spetters rode wijn op een witte muur. En niet lang daarna bevond ik mij als arbiter (een rol die mij normaal goed past) tussen beide echtelieden en dansten we gedrieën door de kamer naar de keuken en weer terug. Het leek op een opera. Of liever gezegd een ‘kat - en muis spel’; de beide echtelieden timmerden er flink op los, soms de een wat terrein winnend, dan de ander. Gelukkig hadden ze het niet op mij gemunt, en ook niet op elkaar, het leek erop dat de echtelieden hun agressie eerder op hun meubilair en interieur richtten. Ik siste en suste, trok hier en daar met links, met rechts een schemerlamp vangend. Komt in de beste families voor, repeteerde ik, en voor ik het door had bevond ik me buiten op straat met de vrouw des huizes die nog steeds niet tot bedaren was gekomen. In het tumult griste ik haar telefoon van straat, haar batterij, een tas, terwijl zij met haar hoge laarzen op de auto van haar man stond in te beuken. In de straat van allemaal natte mansen bleef het echter volledig donker en even schoot het door me heen: die twee hebben meer passie dan het zootje bij elkaar. Maar toen gingen er een paar lichten aan en zag ik gordijnen opzij schuiven terwijl de vrouw maar bleef tieren en vloeken. Of ik haar naar haar zus wilde brengen, fluisterde haar man mij in m’n oor, en daar ging de spiegel zijn auto. Het geraas en getier van de vrouw duurde nog minuten en minuten, en ik kon letterlijk geen grip op haar krijgen en voelde me machteloos en bezorgd, en toen ging er een deur open aan de andere kant van de straat: een man met een rode pull over stapte een trapje af: ‘Kan het een onsje minder?’ klonk het van achter uit zijn keel: ‘de baby huilt.’ Het werd nu volkomen stil in de straat van natte mansen en het duurde even tot het tot me door drong. De vrouw lag op de stoep en was een hoopje mans geworden, de rode pull over, een rijzige gestalte, stond bewegingloos in zijn deuropening: het was kerstavond en de baby huilde. De natte straat was overspoeld van emotie en de rode pull over herhaalde kalm: ‘De baby huilt.’
Tja, dacht ik, en in het Vondelpark liggen de herdertjes bij nachte.