Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Het Duivelsuur

Het Duivelsuur
De zon schijnt in de 2e Anjeliersdwarsstraat. Ik zit op het bankje bij Mike van de Italiaanse broodjeszaak. Mike, voorbij de zestig, en zijn vrouw, een Jordanese - de áá stevast een a - zeggen na al die jaren nog steeds ‘u’ tegen me. Ik tutoyeer, ik weet niet of dat aan hen of aan mij ligt. Jenny Arean loopt voorbij. Ze draagt een bloemetjesjurk, in haar ene hand een ijsje, aan de andere haar kleindochter (denk ik). De zon brandt zacht op mijn gezicht, ik leun achterover, ik moet nog zoveel moet vandaag. Mappen op volgorde voor Koningsnacht (belachelijk trouwens Kóningsnacht), lessen voorbereiden voor morgen, repetitie, facturen betalen. Arean loopt de hoek om nu, de Westerstraat in, een vlaag wind doet haar jurk opwaaien. Dunne benen. Ze is oud geworden. Het is trouwens geen weer voor een jurk, net te koud. Een voorwaarde voor Martin Bril’s Rokjesdag, dat het net te koud is. Ik zit hier in mijn winterjas. Er fietsen blote armen voorbij, pezige met witte aderen hunkerend naar pigment. Als iedereen bloot is trek ik wat aan. In de herfst loop ik nog in een hempie. Ik weet niet waarom. Links langs de zonneschermen en het licht dat kaatst tegen de gevels zie ik de Westertoren. Ik woon al zo lang hier in de Jordaan. Toch denk ik nu de zon schijnt aan mijn jeugd in een Vinexwijk. Het vale licht van de jaren zeventig. Voetballen op straat, hutten bouwen, bosbessen schieten vanuit een buis. Nu denk ik aan die Vinexwijk, toen dacht ik aan Amsterdam. Aan Ajax, Cruijff, de lange haren, de te korte broeken, shirts over die broeken. De Hollandse Beatles, die Ajaxieden, en dan voor ‘t eerst de Europa cup winnen. Vreemd, dat Ajax van de week met 5-1 van PEC verloor doet me niets. Er klinken stemmen uit een zolderraam, kinderen. Eentje gooit iets naar buiten. Ik kijk op m’n telefoon, ik heb nog een kwartier. Ach, die zon, dat ‘duivelsuur’ ken ik ook uit mijn jeugd. Het duivelsuur, het uur waarin de zon eeuwig blijft branden. Gillende kinderen, grasmaaiers in de verte, zoemende muggen, het raam open boven op de derde verdieping van het Marnix College, en die vent die maar bleef lullen, en mijn klasgenoten die ’t prima leken te vinden: keten, propjes gooien, krijt tegen het bord, de grootste lol hadden ze. Was ik dan de enige die naar huis wilde? Even verdwijnt de Anjeliersdwarsstraat onder een wolk en wordt het donker, dan brandt de zon weer op mijn voorhoofd. Ik leun achterover. Het duivelsuur. De tijd staat stil. De tijd tikt. Ik blijf zitten. facebook blog foto