Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

''t Russisch nasi ballet'

‘’t Russisch Nasi Ballet’

In een Jordanese broodjeszaak zag ik gisteren de vijf kilometer van Sven Kramer. Hij reed op de brakstukken van wat ooit een ooit gemoedelijk dorpje was. De televisie in de broodjeszaak hing boven de ingang, het geluid stond uit. Ik had een lichte kater, ik telde Sven’s slagen, ze hypnotiseerden me: steeds negen op ’t rechte eind (ik herinnerde me dat Piet Kleine er ooit zeven voor nodig had) en dan van buiten naar binnen de bocht in snijden. Het viel me op dat hij zijn overstappasjes relatief snel moest maken, het leek of hij anders uit de bocht zou vliegen. In het laatste rondje zette hij nog een tand bij. Er was niets van te zien, maar we weten dat zijn benen op dat moment verzuurd zijn en dat ze verschrikkelijk pijn doen. De tijd kreeg ik niet door, maar ik kon zo wel zien dat het goud was. Dat was een vooraf uitgemaakte zaak. Alleen een verkeerde wissel of een valpartij had daar iets aan kunnen veranderen.

Spannend hoor.

Ik nam een hap van m’n broodje, en voelde een hand op m’n schouder. Tante Riek, olifantenhuidje, tres bronzé, roze lippen. ‘Heb je gisteren de opening gesien?’ vroeg ze.

‘Nee,’ zei ik.

‘Nou dat Russische nasi ballet viel flink tegen.’

‘’t Russisch staatsballet, bedoel je?’

‘Hoe ’t ook heten mag - vond ’t niks.’

Of haar ‘Russische nasi ballet’ Amsterdams gochme was of een Freudiaanse verspreking liet ze hooghartig in ’t midden:‘Geef mij China maar.’

Ik probeerde iets over de vijftig miljard waarvan dertig achter Russische strijkstokken (niet van het staatsorkest) was blijven steken, maar tante Riek haalde onverbiddelijk haar schouders op: 'Vond China veel mooier.'

Ik nam nog een hap van mijn broodje en dacht: symbolisch eigenlijk, 't volk wil brood en spelen.

 

Vanochtend in de krant zag ik een foto van drie oranje pakken op het valse plat. Aan een borreltafel gisteravond sprak iemand ironisch van ‘overweldigende concurrentie’. Verder heb ik niets meegekregen van de Olympische Spelen, en zal er ook verder niet naar kijken. Arnon Grunberg riep er toe op in de Volkskrant: als sporters en politici het niet doen, boycot De Spelen dan als kijker wanneer je er een mening over hebt. Ik voel daar wel voor.  Aan de andere kant is het voor mij niet bepaald een opgave:  behalve de hypnotiserende cadans van Kramer interesseert me sleetje rijden niet zo. 

Kramer hoorde ik trouwens een aantal weken geleden zeggen dat hij wel een politieke mening had, maar die voor zich hield. Ik kreeg nog mee dat een lesbische snowboarder nadrukkelijk haar regenboog handschoen in een camera had geduwd. Ze haastte zich daarna bij monde van chef d’équipe Maurits Hendriks te zeggen dat het beslist geen statement was. Columnist Bas Heijne sprak over de sporters als een ‘beschermde diersoort’. Lijkt me logisch: martelaars als Hazes, Shaffy en Kramer, daar houden we van. Ze lijden voor ons. Die mensen moet je beschermen. Sporters tarten het lot, schreef Theodor Holman in ’t Parool.  Het heeft iets onwerkelijks, ze mogen niet falen. Ze worden uitgezonden als soldaten, dacht ik. Tot ze vallen, dan zijn ze weer onder ons, aldus Holman. Ja, en voor die tijd moeten ze vooral monddood blijven.

Ik zie de vertegenwoordigers van mijn generatie voor me in het Heineken Holland House: Mark, Willem, Max, en Camiel. Polonaise!facebook blog foto