Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Doceren en aanraken

Doceren en aanraken (2005, dit stuk is destijds ook gepubliceerd in een blad voor tennisleraren)

Ik geef naast mijn werk in de muziek, nu zo’n ruim tien jaar les, tennisles. Tijdens die les ben ik degene die vertelt, voordoet en hoop dat anderen luisteren. Ik praat en draag uit, want ik ben degene die weet hoe het moet, en ga ervan uit dat de anderen willen weten hoe het moet (*tegenwoordig (anno 2013) stel ik trouwens veel meer vragen). Ik ben de trainer die doceert, zij zijn de leerlingen. Vanaf het begin ben ik me van die verhouding bewust geweest. Daarom nam ik me tien jaar geleden één ding voor: ik raak-niet-aan. Dat nam ik me voor om de schijnbaar ongelijke positie niet te benadrukken, te accentueren. Ik zou dus bijvoorbeeld nooit achter een leerlinge gaan staan, over haar heen hangen en hijgend in haar nek de service voor doen. Het klassieke beeld van een tennisleraar. Ik zou er voor waken.

          En ik heb me tot nu toe aardig aan mijn voornemen gehouden.

Toch merkte ik gedurende mijn loopbaan dat het soms zeer wenselijk kan zijn een leerling aan te raken. (Om die beter te maken, bedoel ik). Bijvoorbeeld bij het voordoen van de greep. Een greep is het belangrijkste in tennis, ‘zonder greep geen slag,’ zeg ik wel eens tijdens een les ( - als ik de avond er voor Johan Cruijff over voetbal heb horen praten). Het is bijvoorbeeld soms nuttig om iemands hand te pakken en het handvat van het racket in haar of zijn juiste grip te schuiven. De leerling voelt meteen hoe het zit. De eerste jaren deed ik het alleen visueel voor, demonstreerde, liet de stand van het blad zien bij een bepaalde greep. Ik hield me strikt aan mijn voorgenomen stelling: niet aanraken. Maar naarmate ik langer les gaf, werd ik steeds vrijer, zekerder van mijn zaak, een beter trainer misschien. Langzaam begon ik toch aan te raken: eerst een bemoedigend schouderklopje, daarna iemands schouder de goeie kant op draaiend (de kant waar naar je slaat) en later pakte ik bij de eerste les zo iemand bij de heupen, draaide die naar het net, of juist open, en ik had er totaal geen erg in.

Ik ben dus geleidelijk van mijn geloof gevallen.

In eerste instantie zou je zeggen: nou, goed toch, je gaf beter en efficiënter les! Maar ik merkte toch soms een zekere aarzeling als ik iemand beet pakte, een bepaalde terugtrekking bij de ander misschien. Het had misschien te maken met onzekerheid van een beginner, misschien wel met een natuurlijke vorm van afstand, zoals je ook niet direct naast iemand plast in een openbaar urinoir, in een lift de andere hoek kiest, of in de bibliotheek niet direct naast iemand gaat zitten om een boek door te nemen. Je komt in iemands aura, zeggen sommige types. Toch heb ik er een tijd lang maling aan gehad als iemand zich ongemakkelijk leek te voelen wanneer ik haar of zijn hand pakte. Ik werd dan ook steeds hardhandiger. Ik legde bij diegene mijn handpalm grof over de rug van de hand, spreidde de vingers - het mocht best pijn doen - en draaide in één beweging de hand over de grip, precies in de juiste stand. Ik hield mezelf voor dat ik een professional ben, het ging mij erom dat het racket goed wordt vastgehouden. Ach, misschien was ik wel grof en hardhandig om van het moment af te zijn.

Ik nam me destijds nog iets voor om de ogenschijnlijke ongelijkheid tussen mij en de leerling op te heffen: ik doe nog steeds actief mee tijdens de les. Ik demonstreer, sla terug, loop op alle ballen, alsof ik mijn leerlingen - die toch behoorlijk betaald hebben voor de les - niet wil laten zien dat ik te goed voor ze ben. Ondanks die kar met vijftig ballen naast me sta ik in de juiste houding, als ik zeg dat iemand door z’n knieën moet gaan doe ik het zelf ook, en als ik vertel dat je de bal nooit twee keer moet laten stuiteren - ook niet als je aan het inslaan bent, anders is het ritme weg - doe ik het zelf ook niet. Ook al ben ik nog steeds een goede speler: ik zou uit alle standen een bal zou kunnen terugslaan.

Zo had ik eens een vrouw op privé-les die de eerste bal recht op me afsloeg. De bal suisde richting mijn kruis. In de hand waarin ik mijn racket niet vasthad, hield ik acht ballen, omhoog, zodat de bovenste twee niet zouden vallen. Daardoor kon ik minder bewegen, was wat in onbalans. Ik bleef dus staan toen die bal richting mijn kruis suisde, kwam in een fractie van een seconde omhoog, op mijn tenen, en kon de bal precies tussen mijn benen achterlangs terug slaan. Zodoende legde ik hem ‘panklaar’ voor de vrouw, opdat zij de bal perfect kon retourneren. Ze liet de bal echter lopen, haar racket vallen, ging vervolgens demonstratief met haar handen in de zij staan en zei: “Dat leidt dus af hè!”

Ik bood haar mijn excuses aan en doceerde over balans en onbalans en over evenwicht, over variatie en timing.

‘Als je het maar niet nog een keer doet!’ onderbrak ze me.

Nu, de psychologisch onderlegde lezer proeft het misschien al: het liep (tegen mijn principes) uit op een affaire. Wilde ik haar behagen, was het beroepsdeformatie, wilde ik dienstbaar zijn - ook in die context? Dan had ik meer geld moeten vragen, bedenk ik achter af, misschien had ik een tweede business kunnen starten. Hoe dan ook: ik verloor haar als leerling.

In diezelfde periode was er een vrouw die in een vol clubhuis - terwijl iedereen het hoorde - tegen mij zei: ‘Pat, waarom ga je nooit eens achter me staan, bij het serveren bijvoorbeeld, of pak me eens goed vast?! Daarvoor komen we bij je op les!’

Ik voelde me gegeneerd toen ze dat zei. Ik voelde me gevleid en beledigd tegelijk. Kwamen ze niet voor mijn tennisles dan? Rende ik daarvoor op al haar ballen die anders in het hek zouden komen! Ik besloot het op een drinken te zetten. We eindigden aan de bar met een mannetje of twintig. Het was een ronde bar, en de dame in kwestie ging weg. ‘Nou Pat, we gaan,’ zei ze, en ze bood me demonstratief haar wang voor een zoen. Die gaf ik en het hele clubhuis zag dat, en toen draaide ze zich om en wilde gaan, en ik voelde me vrij door de drank en voor ik het wist gebeurde het: ik gaf haar met vlakke hand een keiharde klap op haar kont, echt een klets was het.  Ze verstijfde en er ontsnapte een kort hoog piepgeluid aan haar mond, en de klets kaatste tegen de ramen van het clubhuis. Het was doodstil toen ze het clubhuis verliet.

‘Je wilde toch aangeraakt worden?’ gaf ik haar fijntjes mee.

Ik heb haar nooit meer teruggezien.

Sindsdien doe ik het dus nooit meer. Ik raak niemand meer aan, sla geen ballen meer tussen mijn benen, bovendien loop ik nu nog harder, maak mijn slag overdreven goed af, ga nog dieper door mijn knieën, sla nooit te hard, haal het al helemaal niet in mijn hoofd een bal achter mijn rug te slaan, en waak ervoor enig effect in de bal te leggen!