Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Charity en Tonio

Charity en Tonio

Ik legde het gekregen boek Tonio terug op het nachtkastje, en mijn gedachten dwaalden onbewust af naar zo’n tien jaar geleden, naar die vrijdagavond, het was vroeg geweest en mijn maat MF en ik hadden plaats genomen aan de grote middentafel in café Welling, een café voor schrijvers. Weer ’s wat anders, een keer niet het Spui, zoiets was de gedachte. Het bleek later een grove inschattingsfout te zijn om aan die tafel te gaan zitten: die behoorde namelijk toe aan de stamgasten. Een ongeschreven regel, zoals je ook op een studentensociëteit niet zomaar op elke stoel kunt zitten. Nietsvermoedend echter raakten we in gesprek met twee jonge schrijfsters die bij ons kwamen zitten, ene Mirjam - ik had nog nooit van haar gehoord - en haar vriendin, een kinderboekenschrijfster - haar naam ben ik vergeten. Na wat beleefdheidsuitwisselingen vroeg ik belangstellend, in elke geval een poging wagend het gesprek wat inhoud te geven, of kinderboeken ook literatuur konden zijn. Ook dat bleek een verkeerde inschatting. De kinderboekenschrijfster werd ineens rood van gif en spuwde vuur: of ik haar soms in de maling zat te nemen, of ik niet goed snik was, en wie ik wel niet was om dat te vragen - en of mijn schrijven nou bepaald literatuur was!Van geen kwaad bewust (ik had toen nog nooit één letter op papier gezet!) kreeg ik onbewust de slappe lach (in een adem was ik veroordeeld tot schrijver én kwade genius), en ik kon er niets aan doen, maar het werkte als een rode lap op haar, en ik kreeg steeds meer de slappe lach, en daarmee had ik iets ontketend. Een man in een lange jas, een hoed op, met een paar vrienden in gruizige pakken (koning Arthur en zijn ridders?) schoven gulzig aan en De Hoed eiste op luide toon dat wij vertrokken en ik de dames met rust liet. Het was de wereld op z'n kop, maar al gauw keerde het hele café zich tegen ons. Het begon met wat duw - en trek werk, maar daarna veranderde het café in één groot pandemonium. Ik besloot de schrijvertjes - toch uit week zitvlees gesneden, ik tenniste nog elke dag - niet te ontzien, zette me schrap, en dreigde strategisch hun stamtafel met glazen en kaarsen omver te gooien (ik had toen nog maar kort geleden ervaring opgedaan bij het studentencorps en herkende onmiddellijk bepaalde patronen - niet in de laatste plaats bij me zelf), ik was tegelijk nog wat melig door de hachelijke situatie (ik kon allemaal niet echt geloven wat er gebeurde), en declameerde voor de gelegenheid Reve, die ik voor mijn boekenlijst had gelezen: ‘Ik blijf - en ik bén de rol die ik speel!’ - en bam! daar vloog het eerste glas in de lucht, en nog één, er viel een fles wijn, en daarna dansten we door het café richting de zij-uitgang. De onbekende Mirjam siste mij geniepig toe: ‘Nu je toch bezig bent, neem dat muurtje daar ook even mee - ben die bloemetjes zat!’

Enfin, de tragisch omgekomen Tonio, over wie het ging in het gelijknamige en biografische boek van zijn vader A.F.Th. van der Heijden, dat ik las, moest toen een peuter zijn geweest, en de Mirjam van de bloemetjesmuur, bleek Mirjam Rotenstreich te zijn, de moeder van Tonio, de vrouw van A.F.Th (dat doet er op zich niet toe, en waarom ik het hier vertel wordt later in dit stuk duidelijk, maar ik hoorde dat daags later allemaal van mijn enige echt artistieke vriend, Jeroen Siebelink, bij wie ik op school had gezeten en bij wie ik 'verhaal was gaan halen'). Mijn vriend MF overigens had zich tijdens het tumult volledig afzijdig gehouden: ‘Verheij, dit is ook de stamtafel van mijn oom Jean Paul (wijlen JPF, schrijver en beeldend kunstenaar), als die binnen komt sta ik voor lul!’ Wel had MF mij later toevertrouwd dat hij het belachelijk vond: ‘Dit waren toch intellectuelen die over het leven hadden nagedacht - dat die in staat waren zich tot zoiets laags… dit was gewoon...studentikoos!’.

Hoe dan ook, wat ik hier wil zeggen, is dat ik Tonio van de week steeds moest wegleggen, zoals ik ook de roman Komt Een Vrouw Bij De Dokter (toegegeven van een ander allooi) nooit heb uit kunnen lezen. Te heftig, te pijnlijk, te sensationeel, zoiets. Misschien voel ik me teveel een voyeur bij dit soort boeken. Het is dan ook bekend dat schrijver A.F.Th moeite heeft met het succes van het boek over zijn tragisch omgekomen zoon. Ik kan me daar wat bij voorstellen. Ik herinnerde me daarom misschien dat ik het vreemd had gevonden dat ik het boek van de zomer meermalen had gezien in Ibiza, op het strand, bij het zwembad, in het vliegtuig. Hoewel ik geen kinderen heb - misschien wel daarom - waren mijn gedachten onbewust uitgegaan naar de ouders (het zal je maar gebeuren) en naar het ‘dansfeestje’ in café Welling, naar de achteraf zeer geestige en relativerende opmerking van Mirjam Rotenstreich in het tumult, (niet dat ik nu vind dat ik haar aan de stamtafel had moeten sparen omdat zij zo’n tien jaar later een (door het lot bepaalde) verschrikking voor haar kiezen zou krijgen, immers zij en haar vriendin hadden ons 'weggepest' - niet wij hen). Ik zou nu trouwens niet snel meer een tafel omgooien in een café, net zoals ik me nooit meer naar een verkeersongeluk haast om te helpen, misschien onbewust om sensatie, zoals ik vroeger wel deed, of tussen vechtpartijen spring om te bemiddelen, ik heb wel eens hangjongeren naar huis gestuurd - ik zou dat allemaal niet snel meer doen nu. Waarom niet? Wordt de ziel teerder, brozer, naarmate de jaren schrijden, word ik laffer? Hoewel in het boek Tonio het begrip synchroniciteit (alles hangt samen) centraal staat, en hoewel ik ook geloof dat sommige dingen niet voor niets gebeuren, heeft het voor mij in ieder geval niets te maken met het ‘dansfeestje’ van tien jaar geleden. Ook hier is de sensatiedrift er gewoon een beetje af. 

Ik had het boek inmiddels voor de zoveelste keer weggelegd en zapte langs de kanalen, de inzamelingsactie van de samenwerkende zenders: Humberto Tan, Jeroen Pauw en een heel stel vaag bekende Nederlanders die weer ’s kans zagen met hun glimmende koppen op tv te verschijnen. Bij DWDD, in de herhaling, konden muzikanten voor vijftig euro in een halve minuut eeuwige roem verkrijgen ten faveure van de Filippijnen. Het was koud en ik zette de verwarming hoger. Tijdens een (feest)vakantie van zijn zoon een paar jaar voor diens dood, had A.F.Th tientallen keren gedroomd van de bel die was gegaan. Een korte schelle, en dan een lange toon: politie met onheilspellend nieuws aan de deur. Hij had dit gedroomd om op die manier te bezweren dat het in werkelijkheid niet zou gebeuren, dacht hij. De goden zouden hem dan welgezind zijn, zoiets. Weer had ik het boek weggelegd. Dit was niet te doen (ik had natuurlijk wel grote bewondering voor A.F.Th. die in complete afzondering het leven met zijn overleden zoon op zijn zolderkamer zat te herconstrueren). Ik vroeg me echter af wat de mensen van de zomer op het strand had bewogen dit boek te lezen: een leuk stukje entertainment, ter lering en vermaak? Zouden zij soms op het strand tijdens hun zuur verdiende vakantie gedacht hebben: zoiets zal mij toch nooit overkomen? Zoiets gebeurt alleen bij de buren?

Humberto Tan kwam in beeld, Jeroen Pauw interrumpeerde hem: ‘Ik had net een mevrouw aan de lijn, en zij heeft honderd euro gestort, en haar man heeft het verdubbeld, en haar dochters hebben ook allemaal honderd gegeven, en de kleinkinderen ieder tien uit hun spaarvarken!’ Het kon niet op, geweldig, hosanna, waarin zo’n klein land toch zo groot kon zijn, even sloegen we liefdevol onze zuilloze handen ineen, om vervolgens weer over te gaan tot de orde van de dag van ‘zwarte pieten’ en ‘chinezen’. 

Ik dacht aan wat A.F.Th. had gezegd over bezweren: was dit niet dezelfde sensatie als van de luie lezers op het strand? Bezwoeren de gulle gevers niet met hun giften net als Van der Heijden met zijn droom: dit overkomt ons niet! Zouden zij niet onbewust over de rug van andermans leed een diepe angst bezweren - verpakt in narcisme, euforie en entertainment? De Jungiaanse elementen van synchroniciteit - wij zijn allen één in een zelfde kosmos! - die in het boek van Afth zo’n grote rol spelen, ten spijt?

PS.

Ach, de dood - weet ik uit ervaring, en dat klinkt een beetje gek (maar ik ben mijn vader verloren) - geeft ook vanzelf een bepaalde sensatie, je maakt een soort stofje aan, iets van adrenaline (ik heb het eerste half jaar na de dood van mijn vader zo stoned als een kanarie rondgelopen, een overlevingsstratgie van het lichaam) het verdriet daalde pas later in, niet meteen zoals bij van der Heijden (hoewel het heel iets anders denk ik om je zoon te verliezen) naar binnen toe, als gestold bloed, zoals hij schrijft... - en natuurlijk is het goed dat de media ingespeeld hebben op ons narcisme, en er zoveel miljoenen zijn opgehaald voor de weggespoelde Phillipijnen, het doel heiligt de middelen, maar we blijven tegelijk een stel vreemde organismen (één organisme?) met nog vreemdere (overlevings)mechanismen, en niet dat het veel helpt, maar ik heb met dit schrijven mijn angst bezworen.

Ik heb trouwens nog niet gegeven aan 555.

En als het wel zo was zou ik ’t niet zeggen.

Om over Trijntje Oosterhuis maar helemaal te zwijgen.