Columns - Verhalen - Zondagstukken - Recensies

Open toernooi Festina

 

 ‘Je ruikt hier geen gravel meer,’ zei De Oude Crack.Het is een pandemonium van hormonen dat hier langs de baan giert.’

 

Ik blijf nog even om de beste tennissers van Amsterdam aan het werk te zien,’ zei De Oude Crack. Hij droeg een Lacoste shirt, had een kapotte knie, bloed en gravel vloeiden in elkaar over, dronk een biertje. De Oude Crack had ‘in de 4’ gespeeld, en verloren. ‘Ze slaan te hard nu,’ zei hij, ‘moest tegen een jonge gynaecoloog; die vent sloeg ballen zwánger van de spin!’ De Oude Crack, ooit tot ver in de provincie beroemd vanwege zijn ‘slice backhand’ - zijn ballen vallen nog steeds dood op de achterlijn - streek zijn dunne haar naar achter. ‘Ze kunnen alleen nog maar beuken,’ zei hij. ‘Heb je de Wimbledon finale gezien? Die Raonic sloeg alles op de backhand van Murray, diens beste slag notabene! On-be-grijp-e-lijk.’ Hij zuchtte, nam een slok van zijn bier.

 

We stonden op tennisclub Festina, in het Vondelpark. Ik was hier jaren niet geweest, fietste toevallig langs (Festina is de laatste tennisclub in Nederland waar nog steeds een ‘ballotage commissie’ is, ooit had ik hier, als jonge tennisleraar, een vrijblijvend sollicitatie gesprek. Een officier van justitie nam het gesprek af: of ik op basis van ‘anciënniteit’ op zaterdagochtend om zeven uur wilde beginnen. Enfin, vrijblijvend dus…) Om ons heen nu, net als destijds, ballerige types. Voor ons, op ’t ‘centre court’, de kwart finale van ‘de 2’, top amateurs. Een jongen genaamd Spong - er was onder het publiek wat verwarring of hij nu van Festina was of niet - serveerde met enorme kicks, waarbij de bal meters hoog opstuitte. Op de achtergrond produceerde een DJ diepe bassen. ‘De toernooi commissie is nogal van slag,’ hoorde ik De Oude Crack zeggen: ‘ze zijn bang dat de saxofonist niet komt vanavond!’

 

Intussen joeg jongen Spong (zoon van de advocaat?) machtige forehands en backhands over het net. Twee, drie meter van achter de baseline stonden de jongens voor ons elkaar kapot te beuken. De Oude Crack en ik stonden op een verhoging. Naast de tribune was een bar gebouwd, met hekjes erom heen, een soort 'skybox'. Net toen Spong serveerde liepen twee studentikoze types pontificaal door de smalle corridor tussen baan en tribune. ‘Kijk nou dan toch!’ verzuchtte De Oude Crack, ‘ze hebben niet eens dóór dat 't stoort!’ Jongen Spong zelf leek er echter totaal onverschillig onder en sloeg een ace. Er ging een bal over ‘t hek, en Spong  - nat van het zweet, toch aan een drie setter trekkend - sprong er met een soepele beweging overheen om de bal te halen. Het welgestelde publiek in de ‘skybox’ borrelde rustig door, een muur van decibels producerend. Ook toen de tegenstander van (hun?) Spong een paar zeer ‘dubieuze calls’ maakte. Ondanks dat de lijnen door opstuivend gravel nauwelijks zichtbaar waren, accepteerde Spong de ‘calls’ van zijn tegenstander als een Zen boeddhist, verblikte of verbloosde niet. Je kreeg de indruk dat het bij de gratie van Festina zelf was dat deze toppers hier speelden. Een Umpire was waarschijnlijk teveel gevraagd. 'Ze zijn hier van oudsher zuinig natuurlijk,' lispelde ik zacht ironisch. De Oude Crack viel me als een muppet bij: ‘Het lijkt of er geen zíel zit in die tennissers van tegenwoordig, ze lúllen der ook niet meer over. Straks geven ze elkaar cool een high five, pakken hun rackets en gaan Pokémons vangen!’

De zon ging onder, de DJ begon harder te pompen. Ik zag kinderen uit Oud Zuid die zich verzamelden op het terras voor het compleet verbouwde clubhuis. Bruine huidjes, armbandjes, kleurige touwtjes om dunne polsjes, sommige studentikozen waren zelfs in avondtoilet. In het centrum vergaderden collega studenten nu over een eventuele derde bestorming van ’t Maagdenhuis, iets verder aan de andere kant van de stad waren festivals voor pillen slikkende leeftijdsgenoten, weer een stuk verder, aan de randen van Europa, maakten twee megalomane dictators zich op voor een immens krachtvertoon, op dit moment viel er een bom in München, maar hier op Festina stegen hele andere dampen op. ‘Je ruikt geen gravel meer - dát is het! zei De Oude Crack, wijzend op een groepje opgedofte ‘millennials’. 'Het is een pandemonium van hormonen dat hier langs de baan giert,’ tufte De Oude Backhand door. En daar was de saxofonist: een dikke jongen in een te strak overhemd ging op een tafel staan en blies zelfverzekerd een paar dood eenvoudige likjes. Ik dacht terug aan jaren geleden, toen ik hier zelf optrad, en na een wedstrijd, Sinatra zingend - in m’n tenniskleren rood van het gravel - van m’n barkruk viel. Misschien ben ik straks wel weer hip, pepte ik mezelf op, misschien ben ik wel ‘kek’.

‘Ik moet naar huis,’ zei De Oude Crack, ‘moet morgen dubbelen.’

Jij liever dan ik, dacht ik.facebook blog foto